Rijles
Rijles
‘Dat is lang geleden,’ zeg ik, meer verbaasd dat ik haar zo vlug herken dan over het feit dat ze daar ineens staat. De houterige, misschien breekbare manier waarop ze de deur opende en uitstapte - het kon niet missen. Dat is Hanna.
‘Ja, heel lang.’ Ze lacht.
Ik neem haar plaats achter het stuur over en zij schuift op de achterbank. Terwijl ik de gebruikelijke handelingen verricht - stoel naar voren, gordel, spiegels, lichten, etc. - bedenk ik me wat ik allemaal moet vragen of wil weten.
‘Hoe gaat het met je?’ vraag ik.
‘Goed, en met jou?’
‘Ook!’ Ik vraag naar haar studie en ben niet in het minst verrast als blijkt dat ze inderdaad met kinderen is gaan werken. Dat heeft ze altijd gezegd. Hanna is op haar beurt ook nauwelijks verbaasd als ik over mijn leven vertel.
We hebben het over de school waar we samen op zaten, over de mensen die we gekend hebben en hoe die terecht zijn gekomen - allemaal goed, gelukkig, en precies zoals verwacht:
Is Tim uiteindelijk nog gaan vliegen? Jazeker. Gaaf, en Jon? Computers, natuurlijk.
Even voel ik me heel oud, zoals we daar praten
over zaken die nog maar een paar jaar geleden gebeurd zijn en over mensen die we enkele jaren geleden nog dagelijks zagen. Maar sommige dingen veranderen niet.
Zo heeft Hanna nog steeds van die borstelige wenkbrauwen en verft ze haar haren in hetzelfde rood als dat ze in de brugklas al deed. En dat ze nog steeds nauwelijks een zin uitspreekt die meer dan vier woorden telt, stelt me bijna gerust.
We vragen niet naar elkaars gezondheid.
Ooit waren we vriendinnen, of iets wat daar op leek. Gezien ons beider lichamelijke situaties - zij een spierziekte, ik reuma - zou men verwachten dat we een soort band kregen, elkaar begrepen. Dat deden we niet.
Nog meer dan dat ik tegen dingen aanschopte - mijn step, medicatie of omgeving - schopte Hanna tegen haar leven aan. Letterlijk, want ondanks waarschuwingen uit het ziekenhuis bleef ze hardnekkig voetballen.
Ik praatte moeizaam over mijn reuma, Hanna praatte helemaal nooit ergens over. Ook niet toen ze na haar operatie wekenlang thuis lag en ik haar daar opzocht. Ik kon haar niet steunen, zij mij evenmin.
Buiten dat hadden we niet hetzelfde gevoel voor humor, deelden nauwelijks interesses. Wel waren we allebei nogal eigenwijs. Nadat ook onze vakkenpakketten zich opsplitsten, verloren we elkaar uit het oog in die grote, doolhofachtige massa die onze school toen nog was.
Ook nu in de auto hebben we elkaar weinig te vertellen. Na een tijdje gemoedelijk zwijgen bereiken we Hanna’s huis. Ze stapt uit, we zeggen elkaar van die teksten die je op zo’n moment zegt - was leuk je te zien. Ik rijd de straat uit.
Het was geen pijnlijk weerzien. Eigenlijk was het precies zoals vroeger, in die brugklassen. Twee onzekere meisjes, ieder met hun eigen handicap en ieder hun eigen manier om daarmee om te gaan. We hadden veel nodig, maar niet elkaar. Ik hoop dat het goed met haar gaat.
.jpg)
.jpg)
10°



