Mooie vaten
Mooie vaten
Er is overleg gepleegd. Dat dit niet hetzelfde is als overval, of lijkt op overspel is mij bekend. Toch valt de omgeving al snel voor me weg en blijft er niets anders over dan het kloppen van mijn hart. Dat komt niet zozeer door het feit dàt er overleg is gepleegd, maar door het specifieke onderwerp, te weten mijn prikangst.
De hoofdverpleegkundige legt uit dat hij met zijn team, eveneens bekenden, heeft gepraat over hoe ze mij kunnen helpen van mijn angst af te komen. Het woord ‘conditionering’ valt. Dat link ik mijn leven lang al naar ‘puppy cursus’.
‘We gaan je gewoon proberen aan het idee te laten wennen,’ zegt de verpleger. ‘Hele kleine stapjes. En je mag zelf aangeven hoe ver je wilt gaan.’
Omdat ik mezelf niet wil laten kennen - en ook eindelijk eens van mijn angst af moet - stem ik in met het idee dat hij alleen even gaat kijken. Naar mijn bloedvaten, dus. Ik stroop mijn mouwen op en onderdruk ieder gevoel van onwel.
Naast me vind ik de geduldige blik van mijn vriend, die het waarschijnlijk allemaal erg zielig voor me vindt. Ik ben niet zielig, dus strek ik mijn arm en laat ik het over me heen komen.
De verpleger spant een band om mijn bovenarm. Ik murmel iets over het verschil tussen kinderbandjes - bontgekleurd en dun - en die voor volwassenen - mosgroen en breed - omdat het vasthouden aan dergelijke details me kennelijk rust geeft. Dan voel ik vingers in mijn armplooi. Het gevoel dat volgt, komt overeen met het gevoel dat ik krijg van:
a) het lezen van Elementaire Deeltjes van Michel Houellebecq,
b) een zeker filmpje met een zaag en een terrorist, dat ik ooit doorgestuurd kreeg op MSN en er voor zorgde dat ik nu niets meer open dat ik doorgestuurd krijg,
c) dode katten.
De randen van mijn gezichtsveld vervagen en worden lichter, als op oude foto’s - een symptoom dat ik herken als eventueel flauwvallen. Er komt nog niet eens een naald bij kijken.
Later zal mijn vriend zeggen dat hij het (inderdaad) treurig vond om te zien hoe ik bijna beserk ging (waarmee wij bedoelen dat iemand helemaal door het lint gaat), maar op dat moment ben ik me nauwelijks van zijn aanwezigheid bewust.
Zoals ik ook hem, en mijn vader, op bepaalde momenten niet anders kan zien dan de figuur die me gaat injecteren, zo is de man die nu aan mijn aderen voelt niets anders dan iemand die de intentie heeft mij ooit te injecteren.
Ik doe mijn best dat als een neutrale gedachte te zien, terwijl ik met een klein stemmetje vraag of-ie nu mijn arm toch los kan laten. Vandaag wel weer genoeg stappen.
Ik ben misselijk. Van de twee aanwezige mannen krijg ik te horen dat ik ‘goed bezig’ ben en dat de rest vanzelf wel komt. Ik neem het voor lief.
‘Je hebt mooie vaten, hoor,’ zegt de verpleegkundige, misschien troostend, bij het afscheid. Dat vind ik dan wel weer een origineel compliment.
.jpg)
.jpg)
10°



