En wat doe jij?
Bij het ontmoeten van nieuwe mensen - bij de kapper, in de trein, op een verjaardag of ergens anders - hoort de onvermijdelijke vraag. Teneinde het moment uit te stellen waarop ik zelf hem moet beantwoorden, stel ik de vraag meestal eerst aan mijn gesprekspartner.
Dan bouw ik door op diens antwoord - vertel meer! - en begin daarna het liefst gewoon over het weer. Waarop de vraag alsnog komt, zij het verlaat. Een welwillende glimlach, ogen die je oprecht geïnteresseerd aankijken en dan de woorden:
‘En wat doe jij?’
Natuurlijk antwoord ik braaf dat ik aan de Schrijversvakschool studeer. Ik leg uit wat dat inhoudt en pas als iemand doorvraagt, vertel ik dat ik niet vijf dagen per week op school zit maar dat het een deeltijdopleiding betreft.
‘Aha. En wat doe je nog meer?'
Nu zou ik kunnen zeggen dat ik, zoals mijn studie van me verlangt, veel schrijf. En lees. Veel last heb. En nadenk over een wat meer sexy antwoord op die vraag. Maar dat laatste heb ik niet.
Soms doe ik net alsof ik een drukke baan heb in mijn moeders winkel, wat niet waar maar wel makkelijker is. Soms doe ik dat niet, leg ik uit dat ik reuma heb, niet kan werken en (uitkeringsafhankelijk) thuis zit. En veel schrijf, dus, laten we dat niet vergeten.
Dat antwoord, wat het enige juiste antwoord is op de voorgaande vragen, jeukt. Zeker als iemand me net uitgebreid heeft verteld over zijn twee universitaire studies, drukke sociale leven en glanzende toekomstige carrière, voel ik me enorm lullig.
Het is niet alleen afgunst - ik wil óók...enzovoorts - maar ook schaamte. Omdat er nog wel eens een pijnlijke stilte valt na mijn verhaal. Iemand kucht, schuift wat ongemakkelijk met zijn voet. Het gesprek slaat dood, alsof er verder niet zoveel te bepraten valt met iemand die thuis zit.
Altijd ben ik me bewust van wat een ander zou kunnen denken. Dat ik geen enkel maatschappelijk nut heb, dat ik niet meetel, financieel afhankelijk ben. En zo verder.
Natuurlijk: ik volg een prachtige opleiding. Op mijn eigen manier bouw ik aan een leven, eventueel met glanzende carrière (in de literatuur) of anders een druk sociaal leven. Misschien kan ik nu nog niet op helemaal op eigen benen staan - soms letterlijk - maar op een dag wel. Waarom ben ik daar niet gewoon trots op?
Het is al vervelend genoeg om door je situatie op je twintigste al uitkeringsgerechtigd te zijn, maar om je daar dan ook nog eens lullig over te voelen, dat slaat natuurlijk eigenlijk nergens op.
Nu volgt de reeds verwachte alinea over dat de wereld je maar moet nemen zoals je bent, dat je zelf ook niet om die ziekte hebt gevraagd, dat ieder mens telt en jij dus ook. Ik blijf dat moeilijk vinden.
Misschien moet ik mezelf eens een nieuw antwoord geven. Iets trotsers, iets als: ‘Ik schrijf wat jij over een paar jaar leest.’ Zoiets. Met een welwillende glimlach. En daarna lekker toch overgaan op het weer.
.jpg)
.jpg)
10°



