Een op de miljard
Een op de miljard
In de trein zat een vrouw die een beetje deed denken aan het anorectische zusje van Halina Reijn. Ik weet niet of Halina Reijn een zus heeft en of die zus al dan niet anorectisch is, maar daar deed de vrouw me wel aan denken. (Niets kan mijn liefde voor Halina Reijn nog bekoelen na haar rol in Blind.)
De vrouw zat in een rolstoel van het lichte model – speciaal gemaakt om zelf voort te bewegen, met een lage rug - en was even bleek als dat haar trui wit was. Ze had mooi haar, donkerbruin, naar achteren gebonden. Haar man was leuk, een rond gezicht en een sterke lach op een middelmatig gebit. Zo iemand die je in de kroeg de weg wijst.

We raakten aan de praat. Ik vertelde over mijn (op dat moment afwezige) rolstoel en zwaaide met mijn gehandicaptenparkeerkaart, als om te illustreren dat ik geen onzin sprak. Ze vroegen wat ik mankeerde. Ik zei reuma. Ik vroeg wat zij mankeerde.
De vrouw bleek vanaf haar borst verlamd te zijn. Onherstelbaar.
‘Hoe is het gekomen?’
Ze was zwanger, zei ze. ‘Ik had last van mijn nek.’ Ze richtte haar arm op en wees over haar schouder een hoog plekje in haar nek aan. Het kostte haar duidelijk moeite. ‘Zomaar. Ik ging naar de huisarts en die schreef paracetamol voor.’
Haar man glimlachte haar bemoedigend toe.
‘Dat werkte niet, dus belde ik nog een keer naar de huisarts,’ zei hij.
‘Vervolgens zakte ik door mijn knieën.’
‘Kans van een op de miljard.
Ik maakte niet langer deel uit van het gesprek, maar luisterde naar hoe zij elkaar het verhaal opnieuw vertelden.
‘Maar het gebeurde bij ons.’
‘Ja. En het gekke was dat ze het in het ziekenhuis net twee maanden eerder bij een ander meisje hadden gehad.’
‘Geen genezing mogelijk.’
‘Een op de miljard.’
‘Is je vrouw opeens invalide.’
‘We beginnen het nu pas te beseffen.’
Nu pas keerde het stel zich weer naar me om. Ze vertelden over het huis dat ze net voor dit gebeurde hadden gekocht. Hoe ze dat hadden moeten aanpassen aan de nieuwe situatie – een lift, een verhoogde wc, alles. Ze vertelden over het revalidatiecentrum, over de rijlessen die zij net had genomen in zo’n auto die je alleen met je handen kunt besturen. Uit hun woorden klonk onwerkelijkheid.
Ik vroeg: ‘En de baby?’
‘Die is gezond,’ zei zij. Nu pas zag ik wat licht in hun ogen. ‘Hij is nu elf maanden.’
Het stel keek elkaar breekbaar aan. De trein was bijna bij Utrecht. We namen afscheid. Wat zeg je tegen mensen die je zo’n verhaal vertellen? Ik wilde iets aardigs zeggen, iets opbeurends, want daar hadden ze zo duidelijk nog behoefte aan. Ik kwam niet verder dan ‘veel geluk’.
De vrouw was 34 jaar. Ze gingen een avond uit. Ze deed haar best om haar rolstoel zelf te duwen. Ze zou haar kind nooit meer zelf op kunnen tillen. Ik was blij dat ik alleen maar reuma heb.
.jpg)
.jpg)
10°



