Coconnetje
Omdat je vrij bent die voorstelling zelf in te vullen, zijn er over de hele wereld ontelbaar veel unieke, persoonlijke Goden: soms als een witbebaarde man op een wolk, een soort hogere Sinterklaas, dan weer als de wind of het gras, of als vrouw.
Vanzelfsprekend zijn er evenveel manieren om het geloof in die God te beleven. Één daarvan, gelezen in een jeugdboek, is me altijd bijgebleven.
Het boek verhaalde over een meisje met een verdwenen moeder. Hoe ze daarmee omging. Dat deed ze zo:
‘En ik begon zelfs te bidden tot de bomen. Dat was makkelijker dan bidden tot God, want bomen zag je overal.’
Door er een duidelijker beeld of voorstelling van te maken, vond het meisje niet alleen een manier om met haar geloof om te gaan, maar ook met haar verdriet - dat zich immers in diezelfde bomen bevond. Ze maakte er iets bekends van, en daardoor werd het minder moeilijk.
Wat het meisje met haar bomen had, heb ik met mijn pijn. Natuurlijk is pijn niet gelijk aan God of het geloven daarin, maar zoals geloven misschien makkelijker gaat in iets dat je kent - van naam, gezicht of vorm - zo voelt dat voor het hebben van pijn ook.
Ik kan er beter mee om gaan nu ik weet hoe het eruit ziet. Ik ren er niet voor weg. Ik bekijk het. Rustig, met eerbied. En leg het dan weer weg.
Ik heb geen bomen, maar een cocon. Daar heb ik niet bewust voor gekozen, hij was er gewoon ineens. Toch klopt het wel, want een cocon ga je anders in dan dat je eruit komt.
Mijn cocon heeft de vorm van een groot wit ei. Als sneeuw. Als de pijn in mijn hoofd zit in plaats van in mijn lijf - omdat ik boos of verdrietig ben - kleurt hij zwart. En als de cocon grijs is, heb ik een kater. Of griep. (De vaste lezer hoeft zich niet lang af te vragen welke kleur de cocon van misselijkheid heeft..)
Als ik mezelf oprol, pas ik er precies in. Spinrag filtert de prikkels die van buiten komen en naar binnen willen, er komt weinig door. Het is er warm. Soms kruipt de kat erbij, dan ruikt het nog lekker ook.
Ik geef mezelf een tijd op. Een uur, een dag, misschien een week. Soms een kwartier. Dan ben ik even niet bereikbaar. Ik heb dan pijn. En op dat moment ben ik die pijn aan het ervaren. Dat is niet zielig, sneu of iets dat je tegen moet gaan. Het betekent gewoon dat ik erg in mijn lichaam zit - en in die pijn. En dat helpt me, het is mijn bidden tot de bomen.
Ik wacht in mijn cocon tot de tijd om is. Dat voel ik vanzelf. Dan stap ik er weer uit. Met een beetje geluk als een vlinder.
.jpg)
.jpg)
10°



